Learn Dutch
A2 · Prepositions

Rond + een naamwoord

rond with noun phrases: around, near, about.

  1. We zaten rond ___ tafel en spraken over de toekomst.
  2. Rond ___ huis staan drie grote bomen.
  3. De prijs is rond ___ euro per kilo.
  4. Hij komt rond ___ uur langs.
  5. De kinderen speelden rond ___ huis in de tuin.
  6. Rond ___ eeuw was de stad veel kleiner.
  7. Hij woont rond ___ plein, in een rustige straat.
  8. De vogel zweefde rond ___ toren.
  9. We aten rond ___ uur van de broodjes.
  10. Rond ___ vrijdag is de drukte het grootst.
  11. Er hing een geur van koffie rond ___ keuken.
  12. Het kostte rond ___ euro per persoon.