A2 · Prepositions
In 2026, in mei
in with a year and with a month of the calendar.
- In 2026 ___ de nieuwe brug klaar.
- Mijn vakantie begint ___ juni.
- We verhuizen ___ 2027 naar een ander huis.
- De tentoonstelling is alleen ___ mei en juni te zien.
- Cursussen starten in september en ___ februari.
- In het voorjaar ___ de bomen weer bloeien.
- Zij is ___ 1990 in deze stad geboren.
- De koffie is het duurst ___ juli en augustus.
- We sluiten het kantoor ___ de zomer voor een week.
- De cursus begint ___ 8 september.
- In 2019 ___ ik naar Peru gegaan.
- Wij woonden tot 2015 ___ een dorp bij Doetinchem.