Learn Dutch
A2 · Prepositions

Er in, er op, er aan

er with a preposition: er in, er op, er aan, er uit.

  1. Er staat een bordje ___ de deur.
  2. Er ligt een briefje ___ de tafel.
  3. Er zitten veel mensen ___ de zaal.
  4. Er is een film ___ de bioscoop.
  5. Er komt een bus ___ het station.
  6. Er staat een fiets ___ het hek.
  7. Er wonen geen mensen ___ dit gebouw.
  8. Er wordt elke maand een avond georganiseerd ___ de bibliotheek.
  9. Er moet nog veel ___ de oprit.
  10. Er staat een oude fiets ___ de schuur.
  11. Er komt vanavond een documentaire ___ de tv.
  12. Er is een groot verschil ___ de twee versies.