A2 · Prepositions
Er in, er op, er aan
er with a preposition: er in, er op, er aan, er uit.
- Er staat een bordje ___ de deur.
- Er ligt een briefje ___ de tafel.
- Er zitten veel mensen ___ de zaal.
- Er is een film ___ de bioscoop.
- Er komt een bus ___ het station.
- Er staat een fiets ___ het hek.
- Er wonen geen mensen ___ dit gebouw.
- Er wordt elke maand een avond georganiseerd ___ de bibliotheek.
- Er moet nog veel ___ de oprit.
- Er staat een oude fiets ___ de schuur.
- Er komt vanavond een documentaire ___ de tv.
- Er is een groot verschil ___ de twee versies.