Learn Dutch
A2 · Prepositions

Zorgen voor, wachten op

fixed verbs: zorgen voor, wachten op, reageren op, zoeken naar.

  1. Mijn oma zorgt ___ de kat van de buren.
  2. Wij wachten al tien minuten ___ de bus.
  3. De klant reageerde meteen ___ op mijn e-mail.
  4. Ik zocht urenlang ___ mijn sleutels.
  5. Wij hopen ___ een snelle reactie.
  6. Zij doet ___ de klus in twee weken klaar.
  7. We moeten ons zorgen ___ de slechte weer.
  8. Hij wilde ___ vragen of we wilden komen.
  9. Wij wachten ___ het antwoord van de school.
  10. Zij zorgt goed ___ de planten in de tuin.
  11. Ik heb lang ___ die film gewerkt.
  12. Hij reageerde niet ___ mijn vraag.