A2 · Prepositions
Zorgen voor, wachten op
fixed verbs: zorgen voor, wachten op, reageren op, zoeken naar.
- Mijn oma zorgt ___ de kat van de buren.
- Wij wachten al tien minuten ___ de bus.
- De klant reageerde meteen ___ op mijn e-mail.
- Ik zocht urenlang ___ mijn sleutels.
- Wij hopen ___ een snelle reactie.
- Zij doet ___ de klus in twee weken klaar.
- We moeten ons zorgen ___ de slechte weer.
- Hij wilde ___ vragen of we wilden komen.
- Wij wachten ___ het antwoord van de school.
- Zij zorgt goed ___ de planten in de tuin.
- Ik heb lang ___ die film gewerkt.
- Hij reageerde niet ___ mijn vraag.