Learn Dutch
A2 · Prepositions

Verschil met, overeenkomst met

nouns with a fixed preposition: verschil, overeenkomst, afhankelijk.

  1. Er is een groot verschil ___ met de oude versie.
  2. De overeenkomst ___ met de buurt is getekend.
  3. Het resultaat is afhankelijk ___ van het weer.
  4. Het voordeel ___ van fietsen is dat het gezond is.
  5. Het grootste nadeel ___ van de nieuwe regel is de tijd die het kost.
  6. Wij zoeken een oplossing ___ voor het probleem.
  7. Er is geen verschil ___ tussen zijn twee versies.
  8. De kosten van het project zijn afhankelijk ___ van de prijzen.
  9. De overeenkomst ___ de twee partijen is in de krant gekomen.
  10. Een groot voordeel ___ van werken met de fiets is het geld dat je bespaart.
  11. De oplossing ___ van het probleem ligt in de buurt.
  12. Het verschil ___ de vorige versie is maar één woord.