Learn Dutch
A2 · Prepositions

Blij met, bang voor, trots op

adjectives with a fixed preposition: blij, tevreden, bang, trots.

  1. Ik ben heel blij ___ je nieuwe baan.
  2. Mijn dochter is bang ___ in het donker.
  3. Ik ben trots ___ mijn dochter, zij studeert geneeskunde.
  4. We zijn tevreden ___ het resultaat van de cursus.
  5. Deze prijs is vergelijkbaar ___ die in Amsterdam.
  6. Iets nieuws voor mij, ___ het is echt moeilijk.
  7. Veel mensen zijn niet bekend ___ dit soort muziek.
  8. Wij zijn gewend ___ het harde werk in de fabriek.
  9. Zij is niet blij ___ de nieuwe baan van haar broer.
  10. Hij is bang ___ dat hij de toets niet haalt.
  11. We zijn trots ___ ons team, ze hebben de wedstrijd gewonnen.
  12. De docent was tevreden ___ ons werk in de klas.