A2 · Prepositions
Blij met, bang voor, trots op
adjectives with a fixed preposition: blij, tevreden, bang, trots.
- Ik ben heel blij ___ je nieuwe baan.
- Mijn dochter is bang ___ in het donker.
- Ik ben trots ___ mijn dochter, zij studeert geneeskunde.
- We zijn tevreden ___ het resultaat van de cursus.
- Deze prijs is vergelijkbaar ___ die in Amsterdam.
- Iets nieuws voor mij, ___ het is echt moeilijk.
- Veel mensen zijn niet bekend ___ dit soort muziek.
- Wij zijn gewend ___ het harde werk in de fabriek.
- Zij is niet blij ___ de nieuwe baan van haar broer.
- Hij is bang ___ dat hij de toets niet haalt.
- We zijn trots ___ ons team, ze hebben de wedstrijd gewonnen.
- De docent was tevreden ___ ons werk in de klas.