A2 · Prepositions
Zich richten op, meedoen aan
reflexive verbs and participation: zich houden aan, deelnemen aan.
- Alle bedrijven moeten zich houden ___ de nieuwe milieuregels.
- De klantenservice richt zich vooral ___ oudere klanten.
- Wij doen mee ___ de zaterdag sportdag in het park.
- Zij bezigde zich drije dagen ___ het schilderij.
- De nieuwe bushalte sluit goed ___ op het station aan.
- Iedereen kan bijdragen ___ een mooiere buurt.
- Mijn dochter neemt deel ___ de uitjes van de klas.
- Zij houdt zich ___ de afspraken die ze gemaakt heeft.
- Het team richt zich ___ de komende wedstrijden.
- Wij hebben deelgenomen ___ de taalcursus in het buurthuis.
- De trein van Amsterdam sluit om 18.10 ___ op de trein naar Utrecht aan.
- Hij houdt zich niet ___ de regels van het spel.