Learn Dutch
A2 · Prepositions

Zich richten op, meedoen aan

reflexive verbs and participation: zich houden aan, deelnemen aan.

  1. Alle bedrijven moeten zich houden ___ de nieuwe milieuregels.
  2. De klantenservice richt zich vooral ___ oudere klanten.
  3. Wij doen mee ___ de zaterdag sportdag in het park.
  4. Zij bezigde zich drije dagen ___ het schilderij.
  5. De nieuwe bushalte sluit goed ___ op het station aan.
  6. Iedereen kan bijdragen ___ een mooiere buurt.
  7. Mijn dochter neemt deel ___ de uitjes van de klas.
  8. Zij houdt zich ___ de afspraken die ze gemaakt heeft.
  9. Het team richt zich ___ de komende wedstrijden.
  10. Wij hebben deelgenomen ___ de taalcursus in het buurthuis.
  11. De trein van Amsterdam sluit om 18.10 ___ op de trein naar Utrecht aan.
  12. Hij houdt zich niet ___ de regels van het spel.