A2 · Prepositions
Te veel, te weinig met een naamwoord
te with a noun: too much or too little of something.
- We hebben ___ veel werk om deze week.
- Er was ___ weinig eten in huis, dus we gingen uit.
- De opdracht is ___ moeilijk voor beginners.
- Mijn broer heeft ___ veel huiswerk om de toets.
- Het is ___ druk in de bus tijdens de spits.
- Er is ___ weinig tijd om alles te doen.
- Deze broek is ___ wijd, ze valt me af.
- We hebben ___ weinig geld om een auto te kopen.
- Haar jas is ___ duur voor een leerling.
- De film was ___ lang om te blijven zitten.
- Ik heb ___ veel gewerkt, ik ben moe.
- De kamer is ___ klein voor vier personen.