Learn Dutch
A2 · Prepositions

Te veel, te weinig met een naamwoord

te with a noun: too much or too little of something.

  1. We hebben ___ veel werk om deze week.
  2. Er was ___ weinig eten in huis, dus we gingen uit.
  3. De opdracht is ___ moeilijk voor beginners.
  4. Mijn broer heeft ___ veel huiswerk om de toets.
  5. Het is ___ druk in de bus tijdens de spits.
  6. Er is ___ weinig tijd om alles te doen.
  7. Deze broek is ___ wijd, ze valt me af.
  8. We hebben ___ weinig geld om een auto te kopen.
  9. Haar jas is ___ duur voor een leerling.
  10. De film was ___ lang om te blijven zitten.
  11. Ik heb ___ veel gewerkt, ik ben moe.
  12. De kamer is ___ klein voor vier personen.