A2 · Prepositions
Everyday phrases
Transport, origin, payment and other common phrases.
- Ik ga ___ de trein naar Utrecht.
- Mijn collega komt ___ Marokko.
- Ik heb een kamer ___ twee personen gereserveerd.
- Dit is de fiets ___ mijn vader.
- Kun je dit pakket ___ de buren geven?
- De kinderen gaan ___ voet naar school.
- Mag ik ___ mijn pinpas betalen?
- Ik stap hier ___ de bus.
- De bakker is net ___ de hoek, twee minuten lopen.
- Ik heb een brief ___ de gemeente gekregen.
- Mijn dochter zit ___ voetbal.
- Hij is ziek en ligt ___ bed.