Learn Dutch
A2 · Prepositions

Everyday phrases

Transport, origin, payment and other common phrases.

  1. Ik ga ___ de trein naar Utrecht.
  2. Mijn collega komt ___ Marokko.
  3. Ik heb een kamer ___ twee personen gereserveerd.
  4. Dit is de fiets ___ mijn vader.
  5. Kun je dit pakket ___ de buren geven?
  6. De kinderen gaan ___ voet naar school.
  7. Mag ik ___ mijn pinpas betalen?
  8. Ik stap hier ___ de bus.
  9. De bakker is net ___ de hoek, twee minuten lopen.
  10. Ik heb een brief ___ de gemeente gekregen.
  11. Mijn dochter zit ___ voetbal.
  12. Hij is ziek en ligt ___ bed.