A2 · Prepositions
Prepositions with everyday verbs
Luisteren naar, wachten op, helpen met, vragen om…
- Luister je ook ___ de nieuwe podcast?
- We wachten al een half uur ___ de bus.
- Kun je me helpen ___ de dozen?
- De directeur vroeg ___ een koffie.
- Ik doe mee ___ de taalcursus op dinsdag.
- We spraken ___ de plannen voor het weekend.
- Mijn oma zorgt ___ de kat van de buren.
- Hij heeft om half drie ___ de deur gekeken.
- Ik heb me al lang ___ je excuses gewacht.
- Ze heeft zich ingeschreven ___ een cursus Nederlands.
- Wij bespraken het ontwerp ___ de klant.
- Hij rekent ___ de rekening van het hotel.