Learn Dutch
A2 · Prepositions

Prepositions with everyday verbs

Luisteren naar, wachten op, helpen met, vragen om…

  1. Luister je ook ___ de nieuwe podcast?
  2. We wachten al een half uur ___ de bus.
  3. Kun je me helpen ___ de dozen?
  4. De directeur vroeg ___ een koffie.
  5. Ik doe mee ___ de taalcursus op dinsdag.
  6. We spraken ___ de plannen voor het weekend.
  7. Mijn oma zorgt ___ de kat van de buren.
  8. Hij heeft om half drie ___ de deur gekeken.
  9. Ik heb me al lang ___ je excuses gewacht.
  10. Ze heeft zich ingeschreven ___ een cursus Nederlands.
  11. Wij bespraken het ontwerp ___ de klant.
  12. Hij rekent ___ de rekening van het hotel.