Learn Dutch
A2 · Prepositions

Moving from A to B

Naar, uit, door, over and in with places and people.

  1. We lopen samen ___ het station.
  2. De supermarkt is vlak ___ het station.
  3. De bus rijdt ___ de tunnel naar het centrum.
  4. Ze liep ___ de straat naar de winkel.
  5. Hij komt ___ het huis van zijn ouders.
  6. Ga ___ de winkel en koop brood.
  7. De hond loopt ___ het hek en wacht.
  8. Wij zitten ___ de tafel in de tuin.
  9. Loop niet door de gang, neem de ___ de trap.
  10. Ik kom vanavond ___ je ouders.
  11. De bus vertrekt vanaf het perron ___ de lijn 5.
  12. Toen ze binnenkwam, ging ze meteen ___ de keuken.