A2 · Prepositions
Moving from A to B
Naar, uit, door, over and in with places and people.
- We lopen samen ___ het station.
- De supermarkt is vlak ___ het station.
- De bus rijdt ___ de tunnel naar het centrum.
- Ze liep ___ de straat naar de winkel.
- Hij komt ___ het huis van zijn ouders.
- Ga ___ de winkel en koop brood.
- De hond loopt ___ het hek en wacht.
- Wij zitten ___ de tafel in de tuin.
- Loop niet door de gang, neem de ___ de trap.
- Ik kom vanavond ___ je ouders.
- De bus vertrekt vanaf het perron ___ de lijn 5.
- Toen ze binnenkwam, ging ze meteen ___ de keuken.