Learn Dutch
A2 · Prepositions

Time and the perfect tense

Tegen, sinds and tot with the perfect tense.

  1. Ik heb gewerkt ___ vijf uur.
  2. Wij wonen hier ___ 2018.
  3. Hij heeft de hele dag gewerkt ___ half twee.
  4. We hebben drie weken gewandeld ___ het kanaal.
  5. Ik heb jaren ___ deze baan gewerkt.
  6. Ze heeft vorig jaar een cursus gevolgd ___ maanden.
  7. Ik heb vandaag nog ___ de hele ochtend gewacht.
  8. We hebben de kinderen ___ zeven uur in bed gestopt.
  9. Hij heeft daar ___ twee jaar gewerkt.
  10. Tot ___ volgende week hoef ik niet te komen.
  11. De winkel is ___ negen uur open.
  12. Ik heb het al ___ jaren niet gedaan.