A2 · Prepositions
Time in the past
Prepositions with the simple past: in, on, om, vorig jaar…
- Vorige zomer zijn we met vakantie ___ Kreta geweest.
- Hij is vorig jaar arts geworden ___.
- We begonnen de cursus ___ september.
- Om half zes ___ de bus al weg.
- Toen we aankwamen, was het al donker ___ de stad.
- Mijn vader werkte daar ___ de oorlog.
- Het is nu drie weken ___ dat ik ziek ben.
- De eerste les begon ___ maandag.
- We zaten ___ de hele film stil.
- Ik ga begin volgend jaar ___ vakantie.
- Gisteren om negen uur ___ de film al begonnen.
- Op 4 juli vierden we ___ tienjarig huwelijk.