A2 · Prepositions
Adjectives + preposition
verliefd op, getrouwd met, benieuwd naar…
- Ik ben verliefd ___ mijn buurman.
- Ze is getrouwd ___ een Belg.
- Ik ben benieuwd ___ de uitslag.
- Hij is jaloers ___ zijn broer.
- We zijn heel blij ___ ons nieuwe huis.
- Ik ben moe ___ de lange reis.
- Ze is erg tevreden ___ haar nieuwe baan.
- Dit spel is niet geschikt ___ kleine kinderen.
- Mijn zoon is allergisch ___ noten.
- Mijn dochter is gek ___ paarden.
- Ben je al klaar ___ je huiswerk?
- Hij is erg geïnteresseerd ___ geschiedenis.