Learn Dutch
A2 · Prepositions

Adjectives + preposition

verliefd op, getrouwd met, benieuwd naar…

  1. Ik ben verliefd ___ mijn buurman.
  2. Ze is getrouwd ___ een Belg.
  3. Ik ben benieuwd ___ de uitslag.
  4. Hij is jaloers ___ zijn broer.
  5. We zijn heel blij ___ ons nieuwe huis.
  6. Ik ben moe ___ de lange reis.
  7. Ze is erg tevreden ___ haar nieuwe baan.
  8. Dit spel is niet geschikt ___ kleine kinderen.
  9. Mijn zoon is allergisch ___ noten.
  10. Mijn dochter is gek ___ paarden.
  11. Ben je al klaar ___ je huiswerk?
  12. Hij is erg geïnteresseerd ___ geschiedenis.