A2 · Prepositions
Movement & position
door, over, langs, onder, achter, tegenover, via…
- Loop ___ het park en ga dan rechtsaf.
- Hij haalt zijn telefoon ___ zijn tas.
- We rijden ___ de brug naar de andere kant van de rivier.
- De bal is ___ de bank gerold.
- Ik woon ___ de bakker, aan de andere kant van de straat.
- Deze trein rijdt ___ Utrecht naar Arnhem.
- Elke ochtend wandel ik met de hond ___ het water.
- Mijn fiets staat in de tuin ___ het huis.
- Er vloog een vogel ___ het open raam naar binnen.
- Na het werk ga ik meteen ___ huis.
- Er hangt een lamp ___ de tafel.
- Het kind klimt ___ het hek.