Learn Dutch
A2 · Prepositions

Movement & position

door, over, langs, onder, achter, tegenover, via…

  1. Loop ___ het park en ga dan rechtsaf.
  2. Hij haalt zijn telefoon ___ zijn tas.
  3. We rijden ___ de brug naar de andere kant van de rivier.
  4. De bal is ___ de bank gerold.
  5. Ik woon ___ de bakker, aan de andere kant van de straat.
  6. Deze trein rijdt ___ Utrecht naar Arnhem.
  7. Elke ochtend wandel ik met de hond ___ het water.
  8. Mijn fiets staat in de tuin ___ het huis.
  9. Er vloog een vogel ___ het open raam naar binnen.
  10. Na het werk ga ik meteen ___ huis.
  11. Er hangt een lamp ___ de tafel.
  12. Het kind klimt ___ het hek.