A2 · Prepositions
Verbs + preposition
zorgen voor, lijken op, reageren op…
- Ik zorg ___ mijn zieke moeder.
- Hij lijkt erg ___ zijn vader.
- Ze droomt ___ een huis aan zee.
- Mijn vader is vorig jaar ___ roken gestopt.
- Mijn zus is ___ haar rijexamen geslaagd.
- Ik help mijn buurman ___ zijn tuin.
- Ze lacht altijd ___ zijn grapjes.
- Ik geloof niet ___ spoken.
- Hij heeft ___ een baan bij de bank gesolliciteerd.
- Waarom reageer je niet ___ mijn berichten?
- Wil jij even ___ de kinderen letten?
- Ik heb me ___ een cursus yoga aangemeld.