Learn Dutch
A2 · Prepositions

Verbs + preposition

zorgen voor, lijken op, reageren op…

  1. Ik zorg ___ mijn zieke moeder.
  2. Hij lijkt erg ___ zijn vader.
  3. Ze droomt ___ een huis aan zee.
  4. Mijn vader is vorig jaar ___ roken gestopt.
  5. Mijn zus is ___ haar rijexamen geslaagd.
  6. Ik help mijn buurman ___ zijn tuin.
  7. Ze lacht altijd ___ zijn grapjes.
  8. Ik geloof niet ___ spoken.
  9. Hij heeft ___ een baan bij de bank gesolliciteerd.
  10. Waarom reageer je niet ___ mijn berichten?
  11. Wil jij even ___ de kinderen letten?
  12. Ik heb me ___ een cursus yoga aangemeld.