A2 · Prepositions
Place
Where things and people are: op, in, aan, bij, tegen…
- Mijn fiets staat ___ de muur.
- We wonen ___ de tweede verdieping.
- Het schilderij hangt ___ de muur.
- De kat slaapt ___ de bank.
- Mijn zus werkt ___ een ziekenhuis.
- Ze hebben een huisje ___ zee.
- De supermarkt is ___ de bakker en de apotheek.
- Mijn kinderen zitten nog ___ school.
- Ik ben vanochtend ___ de dokter geweest.
- Hij is twee weken ___ vakantie in Spanje.
- De auto staat ___ de garage.
- Dit weekend ga ik ___ mijn ouders.