Learn Dutch
A2 · Verbs

The simple past: regular verbs

Regular verbs in the simple past: -te and -de.

  1. Gisteren ___ ik in de tuin gewerkt. (werken)
  2. Toen ik klein was, ___ wij in Groningen. (wonen)
  3. Het ___ de hele middag geregend. (regenen)
  4. Mijn oma ___ vroeg altijd om half acht op. (opstaan)
  5. Vorig jaar ___ hij een cursus fotografie gevolgd. (volgen)
  6. Zij ___ gisteren de hele middag op de markt gewinkeld. (winkelen)
  7. Mijn broer ___ in 2020 naar Utrecht verhuisd. (verhuizen)
  8. Wie ___ de deur open? (openen)
  9. De kinderen ___ heel luid gelachen. (lachen)
  10. Na het eten ___ we de tafel gedekt. (dekken)
  11. Op kantoor ___ hij vaak lang aan de telefoon. (bellen)
  12. We ___ een half uur op de bus. (wachten)