A2 · Verbs
The simple past: regular verbs
Regular verbs in the simple past: -te and -de.
- Gisteren ___ ik in de tuin gewerkt. (werken)
- Toen ik klein was, ___ wij in Groningen. (wonen)
- Het ___ de hele middag geregend. (regenen)
- Mijn oma ___ vroeg altijd om half acht op. (opstaan)
- Vorig jaar ___ hij een cursus fotografie gevolgd. (volgen)
- Zij ___ gisteren de hele middag op de markt gewinkeld. (winkelen)
- Mijn broer ___ in 2020 naar Utrecht verhuisd. (verhuizen)
- Wie ___ de deur open? (openen)
- De kinderen ___ heel luid gelachen. (lachen)
- Na het eten ___ we de tafel gedekt. (dekken)
- Op kantoor ___ hij vaak lang aan de telefoon. (bellen)
- We ___ een half uur op de bus. (wachten)