Learn Dutch
A2 · Verbs

The simple past: irregular verbs

Strong and fully irregular verbs in the simple past.

  1. Gisteren ___ we met de trein naar huis. (gaan)
  2. Hij ___ me het adres van de dokter. (geven)
  3. We ___ het hele boek in twee dagen. (lezen)
  4. De klant ___ om een koffie. (vragen)
  5. Zij ___ drie uur lang over de opdracht. (spreken)
  6. Toen ik klein was, ___ ik nog niet zo goed kunnen lezen. (kunnen)
  7. We ___ vorig jaar een huisje in het dorp. (kopen)
  8. Toen het eten klaar was, ___ hij meteen naar bed. (gaan)
  9. Wie ___ dat verhaal geschreven? (schrijven)
  10. Ze ___ me dat ze ziek was. (zeggen)
  11. De bus ___ vandaag te laat. (zijn)
  12. Toen ik in Rome was, ___ ik haar al twee jaar niet gezien. (hebben)