A2 · Verbs
The simple past: irregular verbs
Strong and fully irregular verbs in the simple past.
- Gisteren ___ we met de trein naar huis. (gaan)
- Hij ___ me het adres van de dokter. (geven)
- We ___ het hele boek in twee dagen. (lezen)
- De klant ___ om een koffie. (vragen)
- Zij ___ drie uur lang over de opdracht. (spreken)
- Toen ik klein was, ___ ik nog niet zo goed kunnen lezen. (kunnen)
- We ___ vorig jaar een huisje in het dorp. (kopen)
- Toen het eten klaar was, ___ hij meteen naar bed. (gaan)
- Wie ___ dat verhaal geschreven? (schrijven)
- Ze ___ me dat ze ziek was. (zeggen)
- De bus ___ vandaag te laat. (zijn)
- Toen ik in Rome was, ___ ik haar al twee jaar niet gezien. (hebben)