Learn Dutch
A2 · Verbs

The perfect with zijn

Verbs of movement and change of state in the perfect.

  1. Ik ___ gisteren naar de stad gegaan. (gaan)
  2. De trein ___ om tien uur vertrokken. (vertrekken)
  3. Mijn oma ___ afgelopen zomer tachtig geworden. (worden)
  4. We ___ twee weken in Portugal geweest. (zijn)
  5. Hij ___ om half zes thuisgekomen. (thuiskomen)
  6. Het aantal bezoekers ___ vorig jaar flink gestegen. (stijgen)
  7. Ik ___ me gisteren in de bus in slaap gevallen. (inzlapen)
  8. De kinderen ___ de hele middag in de tuin gespeeld. (spelen)
  9. De wijn ___ vorig jaar heel duur geweest. (zijn)
  10. We ___ om half twee in de garage geparkeerd. (parkeren)
  11. Haar vader ___ in 2019 overleden. (overlijden)
  12. Ik ___ vandaag nog niet uit bed gekomen. (opstaan)