A2 · Verbs
The perfect with zijn
Verbs of movement and change of state in the perfect.
- Ik ___ gisteren naar de stad gegaan. (gaan)
- De trein ___ om tien uur vertrokken. (vertrekken)
- Mijn oma ___ afgelopen zomer tachtig geworden. (worden)
- We ___ twee weken in Portugal geweest. (zijn)
- Hij ___ om half zes thuisgekomen. (thuiskomen)
- Het aantal bezoekers ___ vorig jaar flink gestegen. (stijgen)
- Ik ___ me gisteren in de bus in slaap gevallen. (inzlapen)
- De kinderen ___ de hele middag in de tuin gespeeld. (spelen)
- De wijn ___ vorig jaar heel duur geweest. (zijn)
- We ___ om half twee in de garage geparkeerd. (parkeren)
- Haar vader ___ in 2019 overleden. (overlijden)
- Ik ___ vandaag nog niet uit bed gekomen. (opstaan)