A2 · Verbs
The perfect with hebben
Most verbs take hebben in the perfect tense.
- Ik ___ gisteren tot zes uur op kantoor gewerkt. (werken)
- Wat ___ je gisteravond gegeten? (eten)
- Hij ___ een brief aan zijn oma geschreven. (schrijven)
- We ___ deze week drie keer gewandeld. (wandelen)
- De politie ___ de verdachte in de stad gevonden. (vinden)
- Mijn dochter ___ haar huiswerk al gemaakt. (maken)
- ___ jullie de afspraak niet vergeten? (vergeten)
- Ze ___ ons heel lang geholpen. (helpen)
- Ik ___ die film nog nooit gezien. (zien)
- De leraar ___ alle leerlingen een hand gegeven. (geven)
- We ___ toch voor de vakantie geboekt. (boeken)
- Hij ___ zijn sleutels in de auto laten liggen. (laten)