Learn Dutch
A2 · Verbs

The perfect with hebben

Most verbs take hebben in the perfect tense.

  1. Ik ___ gisteren tot zes uur op kantoor gewerkt. (werken)
  2. Wat ___ je gisteravond gegeten? (eten)
  3. Hij ___ een brief aan zijn oma geschreven. (schrijven)
  4. We ___ deze week drie keer gewandeld. (wandelen)
  5. De politie ___ de verdachte in de stad gevonden. (vinden)
  6. Mijn dochter ___ haar huiswerk al gemaakt. (maken)
  7. ___ jullie de afspraak niet vergeten? (vergeten)
  8. Ze ___ ons heel lang geholpen. (helpen)
  9. Ik ___ die film nog nooit gezien. (zien)
  10. De leraar ___ alle leerlingen een hand gegeven. (geven)
  11. We ___ toch voor de vakantie geboekt. (boeken)
  12. Hij ___ zijn sleutels in de auto laten liggen. (laten)