Learn Dutch
A2 · Verbs

Present, past or perfect?

Choosing the right tense for the same situation.

  1. Ik ___ hier sinds 2019. (werken)
  2. Toen ik in Rome woonde, ___ ik elke dag naar de markt. (gaan)
  3. Mijn oma ___ tachtig jaar lang in Leiden gewoond. (wonen)
  4. We ___ hier nog nooit zo'n mooi huis gezien. (zien)
  5. Hij ___ altijd om half acht op. (opstaan)
  6. In 2019 ___ we naar Den Haag verhuisd. (verhuizen)
  7. Vorig jaar ___ ik nog in Amsterdam wonen. (wonen)
  8. Die film ___ drie weken in de bioscoop gedraaid. (draaien)
  9. Mijn dochter ___ sinds drie jaar in Utrecht studeren. (studeren)
  10. Toen de winkel dichtging, ___ we naar huis. (gaan)
  11. Hij ___ die film al twee keer gezien. (zien)
  12. In de vakantie ___ we elke dag zwemmen. (zwemmen)