A2 · Verbs
Present, past or perfect?
Choosing the right tense for the same situation.
- Ik ___ hier sinds 2019. (werken)
- Toen ik in Rome woonde, ___ ik elke dag naar de markt. (gaan)
- Mijn oma ___ tachtig jaar lang in Leiden gewoond. (wonen)
- We ___ hier nog nooit zo'n mooi huis gezien. (zien)
- Hij ___ altijd om half acht op. (opstaan)
- In 2019 ___ we naar Den Haag verhuisd. (verhuizen)
- Vorig jaar ___ ik nog in Amsterdam wonen. (wonen)
- Die film ___ drie weken in de bioscoop gedraaid. (draaien)
- Mijn dochter ___ sinds drie jaar in Utrecht studeren. (studeren)
- Toen de winkel dichtging, ___ we naar huis. (gaan)
- Hij ___ die film al twee keer gezien. (zien)
- In de vakantie ___ we elke dag zwemmen. (zwemmen)