Learn Dutch
A2 · Verbs

The perfect of modal verbs

hebben + moeten, kunnen, willen and other modals.

  1. Sorry, we hebben gisteren niet ___ komen. (kunnen)
  2. Ik heb nog niet ___ durven bellen. (durven)
  3. We hebben de hele middag ___ wachten op de monteur. (moeten)
  4. Ze heeft de film niet ___ willen zien. (willen)
  5. Ik heb mijn ouders nog nooit ___ helpen verhuizen. (helpen)
  6. We hebben de hele middag ___ nadenken over die vraag. (moeten)
  7. Je hebt het niet ___ hoeven doen. (hoeven)
  8. De jongen heeft die vraag niet ___ durven stellen. (durven)
  9. Mijn moeder heeft me gisteren niet ___ mogen bellen. (mogen)
  10. Hij heeft gisteren niet ___ kunnen parkeren, overal was vol. (kunnen)
  11. De klant heeft niet ___ wachten, hij had meteen een afspraak. (hoeven)
  12. Hij heeft zijn sleutels niet ___ vinden, ze lagen in de auto. (kunnen)