A2 · Verbs
The perfect of modal verbs
hebben + moeten, kunnen, willen and other modals.
- Sorry, we hebben gisteren niet ___ komen. (kunnen)
- Ik heb nog niet ___ durven bellen. (durven)
- We hebben de hele middag ___ wachten op de monteur. (moeten)
- Ze heeft de film niet ___ willen zien. (willen)
- Ik heb mijn ouders nog nooit ___ helpen verhuizen. (helpen)
- We hebben de hele middag ___ nadenken over die vraag. (moeten)
- Je hebt het niet ___ hoeven doen. (hoeven)
- De jongen heeft die vraag niet ___ durven stellen. (durven)
- Mijn moeder heeft me gisteren niet ___ mogen bellen. (mogen)
- Hij heeft gisteren niet ___ kunnen parkeren, overal was vol. (kunnen)
- De klant heeft niet ___ wachten, hij had meteen een afspraak. (hoeven)
- Hij heeft zijn sleutels niet ___ vinden, ze lagen in de auto. (kunnen)