A2 · Verbs
Irregular participles in the perfect
Past participles you have to learn by heart.
- Ik heb gisteren een broodje ___. (eten)
- Heb jij die film al ___? (zien)
- We hebben twee glazen wijn ___. (drinken)
- Ze heeft een lang briefje aan haar oma ___. (schrijven)
- Hij heeft de trein naar Den Haag ___. (nemen)
- Ik heb mijn sleutels niet kunnen ___. (vinden)
- Ze is drie weken in het ziekenhuis ___. (blijven)
- De les is om negen uur ___. (beginnen)
- Mijn buurman heeft me met de verhuizing ___. (helpen)
- Ik heb dat boek al ___. (lezen)
- Ons team heeft de wedstrijd ___. (winnen)
- We hebben vorig jaar een tweedehands fiets ___. (kopen)