Learn Dutch
A2 · Verbs

Irregular participles in the perfect

Past participles you have to learn by heart.

  1. Ik heb gisteren een broodje ___. (eten)
  2. Heb jij die film al ___? (zien)
  3. We hebben twee glazen wijn ___. (drinken)
  4. Ze heeft een lang briefje aan haar oma ___. (schrijven)
  5. Hij heeft de trein naar Den Haag ___. (nemen)
  6. Ik heb mijn sleutels niet kunnen ___. (vinden)
  7. Ze is drie weken in het ziekenhuis ___. (blijven)
  8. De les is om negen uur ___. (beginnen)
  9. Mijn buurman heeft me met de verhuizing ___. (helpen)
  10. Ik heb dat boek al ___. (lezen)
  11. Ons team heeft de wedstrijd ___. (winnen)
  12. We hebben vorig jaar een tweedehands fiets ___. (kopen)