A2 · Verbs
The passive in the present
The present passive: worden + past participle.
- De winkel ___ elke dag om acht uur geopend. (openen)
- Het huis ___ op dit moment geschilderd. (schilderen)
- De brug ___ elke zomer gerepareerd. (repareren)
- Wij ___ door de politie gecontroleerd. (controleren)
- De brief ___ vandaag op de post gedaan. (doen)
- De rekening ___ door de bank verstuurd. (versturen)
- Waar ___ het eten vanavond klaargemaakt? (klaarmaken)
- De kinderen ___ elke dag naar school gebracht. (brengen)
- Het probleem ___ snel opgelost. (oplossen)
- Onze flat ___ vorig jaar gerenoveerd. (renoveren)
- Zijn naam ___ op het bord geschreven. (schrijven)
- De rekening ___ door de eigenaar van de winkel betaald. (betalen)