Learn Dutch
A2 · Verbs

The passive in the present

The present passive: worden + past participle.

  1. De winkel ___ elke dag om acht uur geopend. (openen)
  2. Het huis ___ op dit moment geschilderd. (schilderen)
  3. De brug ___ elke zomer gerepareerd. (repareren)
  4. Wij ___ door de politie gecontroleerd. (controleren)
  5. De brief ___ vandaag op de post gedaan. (doen)
  6. De rekening ___ door de bank verstuurd. (versturen)
  7. Waar ___ het eten vanavond klaargemaakt? (klaarmaken)
  8. De kinderen ___ elke dag naar school gebracht. (brengen)
  9. Het probleem ___ snel opgelost. (oplossen)
  10. Onze flat ___ vorig jaar gerenoveerd. (renoveren)
  11. Zijn naam ___ op het bord geschreven. (schrijven)
  12. De rekening ___ door de eigenaar van de winkel betaald. (betalen)