A2 · Verbs
The future with gaan
Plans and arrangements: gaan + infinitive.
- Ik ___ morgen naar het strand. (gaan)
- We ___ volgend weekend naar Utrecht rijden. (gaan)
- Hij ___ volgens de klok al naar huis. (gaan)
- ___ jij vanavond mee? (gaan)
- We ___ zaterdag een tafel reserveren. (gaan)
- De kinderen ___ elke dag naar school lopen. (gaan)
- Ze ___ dit weekend naar huis van haar ouders. (gaan)
- Ik ___ echt gaan, ook als het regent. (gaan)
- We ___ om zeven uur bij de bioscoop zijn. (gaan)
- Mijn oma ___ niet meer naar de markt gaan. (gaan)
- ___ je mee naar het zwembad? (gaan)
- Toen ik klein was, ___ we elke zomer naar zee. (gaan)