A2 · Verbs
gaan + om … te
Saying why you are going somewhere: gaan + om … te.
- Ik ga naar de supermarkt ___ melk te kopen. (kopen)
- We gaan naar het station ___ de trein te halen. (halen)
- Gaat u mee ___ de bank een brief te sturen? (sturen)
- Hij gaat naar de garage ___ de auto te laten nakijken. (nakijken)
- We gaan vanavond naar de bioscoop ___ een film te kijken. (kijken)
- Ga je mee ___ iets te eten? (eten)
- Ik ga naar het kantoor ___ mijn collega te spreken. (spreken)
- We gaan naar het strand ___ te zwemmen. (zwemmen)
- Mijn oma gaat naar de markt ___ verse bloemen te kopen. (kopen)
- Ga je naar de bibliotheek ___ een boek te lenen? (lenen)
- Ze gaat naar de kapper ___ haar haar te laten knippen. (knippen)
- Wij gaan naar de gemeente ___ een afspraak te maken. (maken)