Learn Dutch
A2 · Verbs

gaan + om … te

Saying why you are going somewhere: gaan + om … te.

  1. Ik ga naar de supermarkt ___ melk te kopen. (kopen)
  2. We gaan naar het station ___ de trein te halen. (halen)
  3. Gaat u mee ___ de bank een brief te sturen? (sturen)
  4. Hij gaat naar de garage ___ de auto te laten nakijken. (nakijken)
  5. We gaan vanavond naar de bioscoop ___ een film te kijken. (kijken)
  6. Ga je mee ___ iets te eten? (eten)
  7. Ik ga naar het kantoor ___ mijn collega te spreken. (spreken)
  8. We gaan naar het strand ___ te zwemmen. (zwemmen)
  9. Mijn oma gaat naar de markt ___ verse bloemen te kopen. (kopen)
  10. Ga je naar de bibliotheek ___ een boek te lenen? (lenen)
  11. Ze gaat naar de kapper ___ haar haar te laten knippen. (knippen)
  12. Wij gaan naar de gemeente ___ een afspraak te maken. (maken)