Learn Dutch
A2 · Verbs

Comparing with more and less

Comparative forms of adverbs and adjectives with verbs.

  1. Mijn zus werkt ___ dan ik. (werken)
  2. Ik eet ___ dan thee. (eten)
  3. Zij komt ___ dan mijn broer. (komen)
  4. We slapen in dit hotel ___ dan thuis. (slapen)
  5. De prijzen zijn ___ geworden. (worden)
  6. De auto rijdt ___ dan de bus. (rijden)
  7. De reis duurde ___ dan vorig jaar. (duren)
  8. Ik loop ___ naar huis dan met de bus. (lopen)
  9. Zij heeft ___ vrienden dan ik. (hebben)
  10. Mijn huis is ___ dan het huis van Jan. (zijn)
  11. We eten hier ___ dan thuis. (eten)
  12. Het is ___ vandaag dan gisteren. (zijn)