A2 · Verbs
Comparing with more and less
Comparative forms of adverbs and adjectives with verbs.
- Mijn zus werkt ___ dan ik. (werken)
- Ik eet ___ dan thee. (eten)
- Zij komt ___ dan mijn broer. (komen)
- We slapen in dit hotel ___ dan thuis. (slapen)
- De prijzen zijn ___ geworden. (worden)
- De auto rijdt ___ dan de bus. (rijden)
- De reis duurde ___ dan vorig jaar. (duren)
- Ik loop ___ naar huis dan met de bus. (lopen)
- Zij heeft ___ vrienden dan ik. (hebben)
- Mijn huis is ___ dan het huis van Jan. (zijn)
- We eten hier ___ dan thuis. (eten)
- Het is ___ vandaag dan gisteren. (zijn)