A2 · Verbs
Er is and er zijn
Saying what there is: er is, er zijn and er was.
- Er ___ een groot probleem met de lift. (zijn)
- Er ___ twee supermarkten in deze straat. (zijn)
- Er ___ gisteren een ongeval op de snelweg. (zijn)
- Hoeveel kamers ___ er in dit huis? (zijn)
- Er ___ nog geen antwoord op mijn e-mail. (zijn)
- Er ___ veel mensen op het station. (zijn)
- ___ er een bank in de buurt? (zijn)
- Er ___ drie verdiepingen in het gebouw. (zijn)
- Er ___ een fout in de rekening zitten. (zijn)
- Hoeveel tijd ___ er nog voor de les? (zijn)
- Er ___ vorig jaar veel minder bezoekers. (zijn)
- Er ___ om half twee een vergadering in de kantine. (zijn)