Learn Dutch
A2 · Verbs

Er is and er zijn

Saying what there is: er is, er zijn and er was.

  1. Er ___ een groot probleem met de lift. (zijn)
  2. Er ___ twee supermarkten in deze straat. (zijn)
  3. Er ___ gisteren een ongeval op de snelweg. (zijn)
  4. Hoeveel kamers ___ er in dit huis? (zijn)
  5. Er ___ nog geen antwoord op mijn e-mail. (zijn)
  6. Er ___ veel mensen op het station. (zijn)
  7. ___ er een bank in de buurt? (zijn)
  8. Er ___ drie verdiepingen in het gebouw. (zijn)
  9. Er ___ een fout in de rekening zitten. (zijn)
  10. Hoeveel tijd ___ er nog voor de les? (zijn)
  11. Er ___ vorig jaar veel minder bezoekers. (zijn)
  12. Er ___ om half twee een vergadering in de kantine. (zijn)