Learn Dutch
A2 · Verbs

Er with a quantity

Saying how much there is with veel, weinig, genoeg and allemaal.

  1. Er ___ veel brood in de keuken. (zijn)
  2. Er ___ weinig tijd over. (zijn)
  3. Er ___ genoeg stoelen voor iedereen. (zijn)
  4. Er ___ bijna geen melk meer in de koelkast. (zijn)
  5. Er ___ twee tassen koffie op het tafeltje. (zijn)
  6. Er ___ een groot aantal klanten. (zijn)
  7. Er ___ maar vijf mensen gekomen. (zijn)
  8. Er ___ niet veel mensen in de bus. (zijn)
  9. Er ___ genoeg ruimte in de zaal. (zijn)
  10. ___ er genoeg parkeerplaatsen in de buurt? (zijn)
  11. Er ___ heel veel mensen op het feest vanavond. (zijn)
  12. Er ___ nog een paar kaarten over. (zijn)