A2 · Verbs
Er with a quantity
Saying how much there is with veel, weinig, genoeg and allemaal.
- Er ___ veel brood in de keuken. (zijn)
- Er ___ weinig tijd over. (zijn)
- Er ___ genoeg stoelen voor iedereen. (zijn)
- Er ___ bijna geen melk meer in de koelkast. (zijn)
- Er ___ twee tassen koffie op het tafeltje. (zijn)
- Er ___ een groot aantal klanten. (zijn)
- Er ___ maar vijf mensen gekomen. (zijn)
- Er ___ niet veel mensen in de bus. (zijn)
- Er ___ genoeg ruimte in de zaal. (zijn)
- ___ er genoeg parkeerplaatsen in de buurt? (zijn)
- Er ___ heel veel mensen op het feest vanavond. (zijn)
- Er ___ nog een paar kaarten over. (zijn)