A2 · Verbs
Er is for time and weather
The impersonal er for the time, the weather and seasons.
- Er ___ vandaag prachtig weer. (zijn)
- Er ___ al half negen. (zijn)
- Er ___ deze winter veel sneeuw geweest. (zijn)
- Er ___ pas om negen uur licht in de stad. (zijn)
- Er ___ geen goed weer vandaag, hè? (zijn)
- Er ___ nog drie weken tot de vakantie. (zijn)
- ___ het al koud buiten? (zijn)
- Er ___ die ochtend mist op de heuvels. (zijn)
- Er ___ tegenwoordig altijd veel verkeer. (zijn)
- Er ___ nog een uur geleden nog geen file. (zijn)
- Er ___ in Nederland vier seizoenen. (zijn)
- Er ___ gisteravond een fijn avondje. (zijn)