Learn Dutch
A2 · Verbs

Er is for time and weather

The impersonal er for the time, the weather and seasons.

  1. Er ___ vandaag prachtig weer. (zijn)
  2. Er ___ al half negen. (zijn)
  3. Er ___ deze winter veel sneeuw geweest. (zijn)
  4. Er ___ pas om negen uur licht in de stad. (zijn)
  5. Er ___ geen goed weer vandaag, hè? (zijn)
  6. Er ___ nog drie weken tot de vakantie. (zijn)
  7. ___ het al koud buiten? (zijn)
  8. Er ___ die ochtend mist op de heuvels. (zijn)
  9. Er ___ tegenwoordig altijd veel verkeer. (zijn)
  10. Er ___ nog een uur geleden nog geen file. (zijn)
  11. Er ___ in Nederland vier seizoenen. (zijn)
  12. Er ___ gisteravond een fijn avondje. (zijn)