A2 · Verbs
Imperatives: jij and u
Commands and instructions with jij, u and jullie.
- ___ de deur dicht, het waait buiten. (doen)
- ___ je even rustig, de klas luistert. (zijn)
- U mag hier ___ wachten, de trein komt zo. (wachten)
- ___ mij direct antwoord, alstublieft. (geven)
- Jullie moeten het huiswerk voor morgen ___. (maken)
- ___ alsjeblieft niet roken in het gebouw. (roken)
- Pak je spullen en ___ het lokaal uit. (verlaten)
- Wees zo ___, er komt een klant. (vriendelijk)
- ___ niet bang, het is maar een routinecontrole. (zijn)
- Zeg het ___, anders begrijpt niemand het. (duidelijk)
- U kunt hier rustig ___ wachten op de bus. (wachten)
- ___ je tas en loop naar het lokaal. (pakken)