Learn Dutch
A2 · Verbs

Imperatives: jij and u

Commands and instructions with jij, u and jullie.

  1. ___ de deur dicht, het waait buiten. (doen)
  2. ___ je even rustig, de klas luistert. (zijn)
  3. U mag hier ___ wachten, de trein komt zo. (wachten)
  4. ___ mij direct antwoord, alstublieft. (geven)
  5. Jullie moeten het huiswerk voor morgen ___. (maken)
  6. ___ alsjeblieft niet roken in het gebouw. (roken)
  7. Pak je spullen en ___ het lokaal uit. (verlaten)
  8. Wees zo ___, er komt een klant. (vriendelijk)
  9. ___ niet bang, het is maar een routinecontrole. (zijn)
  10. Zeg het ___, anders begrijpt niemand het. (duidelijk)
  11. U kunt hier rustig ___ wachten op de bus. (wachten)
  12. ___ je tas en loop naar het lokaal. (pakken)