A2 · Verbs
Modals with the infinitive
kunnen, mogen, moeten, willen and zullen + infinitive.
- Ik ___ vandaag nog naar de winkel gaan. (moeten)
- Zij ___ dit weekend niet werken. (kunnen)
- ___ je me morgen helpen met verhuizen? (kunnen)
- Je ___ hier niet roken. (mogen)
- Hij wil een andere film ___. (kijken)
- We ___ dit jaar geen vakantie nemen. (zullen)
- Mag ik u iets ___ vragen? (vragen)
- Ze moet vandaag nog de rekening ___. (betalen)
- Wij willen dit weekend graag ___ wandelen. (wandelen)
- Ik kan die muziek niet ___ uitstaan. (uitstaan)
- ___ jullie hier ook komen eten? (komen)
- Je moet die rekening echt ___ betalen. (betalen)