Learn Dutch
A2 · Verbs

Modals with the infinitive

kunnen, mogen, moeten, willen and zullen + infinitive.

  1. Ik ___ vandaag nog naar de winkel gaan. (moeten)
  2. Zij ___ dit weekend niet werken. (kunnen)
  3. ___ je me morgen helpen met verhuizen? (kunnen)
  4. Je ___ hier niet roken. (mogen)
  5. Hij wil een andere film ___. (kijken)
  6. We ___ dit jaar geen vakantie nemen. (zullen)
  7. Mag ik u iets ___ vragen? (vragen)
  8. Ze moet vandaag nog de rekening ___. (betalen)
  9. Wij willen dit weekend graag ___ wandelen. (wandelen)
  10. Ik kan die muziek niet ___ uitstaan. (uitstaan)
  11. ___ jullie hier ook komen eten? (komen)
  12. Je moet die rekening echt ___ betalen. (betalen)