A2 · Verbs
Hoeven … te
Saying what you don't have to do.
- Je hoeft niet te ___; de vergadering is afgelopen. (blijven)
- We hoeven vandaag geen boodschappen te ___. (doen)
- U hoeft het formulier niet in te ___ als u online komt. (vullen)
- Hoeft u nog iets te ___? (betalen)
- Jij hoeft niet bang te ___ voor die toets. (zijn)
- We hoeven geen tafel te ___; we eten op straat. (reserveren)
- Je hoeft geen excuses te ___; het is mijn schuld. (maken)
- Hoeft hij nog mee te ___? (gaan)
- De gasten hoeven hun schoenen niet uit te ___. (doen)
- Ik hoef morgen niet vroeg op te ___. (staan)
- Je hoeft geen zorgen te ___ over het geld. (maken)
- We hoeven hier niets te ___; we hebben eten bij. (kopen)