Learn Dutch
A2 · Verbs

Hoeven … te

Saying what you don't have to do.

  1. Je hoeft niet te ___; de vergadering is afgelopen. (blijven)
  2. We hoeven vandaag geen boodschappen te ___. (doen)
  3. U hoeft het formulier niet in te ___ als u online komt. (vullen)
  4. Hoeft u nog iets te ___? (betalen)
  5. Jij hoeft niet bang te ___ voor die toets. (zijn)
  6. We hoeven geen tafel te ___; we eten op straat. (reserveren)
  7. Je hoeft geen excuses te ___; het is mijn schuld. (maken)
  8. Hoeft hij nog mee te ___? (gaan)
  9. De gasten hoeven hun schoenen niet uit te ___. (doen)
  10. Ik hoef morgen niet vroeg op te ___. (staan)
  11. Je hoeft geen zorgen te ___ over het geld. (maken)
  12. We hoeven hier niets te ___; we hebben eten bij. (kopen)