Learn Dutch
A2 · Verbs

Durven and willen

Daring to do something and wanting to do something.

  1. Ik durf niet in die diepe water ___. (duiken)
  2. Zij durft voor de klas te ___. (spreken)
  3. We willen vanavond naar de film ___. (gaan)
  4. Hij heeft de vraag niet durven ___. (stellen)
  5. Wil je nog een kopje koffie ___? (drinken)
  6. Mijn dochter durft niet alleen naar school ___. (gaan)
  7. Ik wil graag een keer naar Nederland ___. (komen)
  8. We hebben dat risico niet durven ___. (nemen)
  9. Ze wil met ons mee naar het zwembad ___. (gaan)
  10. Ik durf geen aardappels te ___ die zo zout zijn. (eten)
  11. Hij wil zijn haar laten ___ voordat hij gaat. (knippen)
  12. Durf je om half tien nog langs te ___? (lopen)