A2 · Verbs
Durven and willen
Daring to do something and wanting to do something.
- Ik durf niet in die diepe water ___. (duiken)
- Zij durft voor de klas te ___. (spreken)
- We willen vanavond naar de film ___. (gaan)
- Hij heeft de vraag niet durven ___. (stellen)
- Wil je nog een kopje koffie ___? (drinken)
- Mijn dochter durft niet alleen naar school ___. (gaan)
- Ik wil graag een keer naar Nederland ___. (komen)
- We hebben dat risico niet durven ___. (nemen)
- Ze wil met ons mee naar het zwembad ___. (gaan)
- Ik durf geen aardappels te ___ die zo zout zijn. (eten)
- Hij wil zijn haar laten ___ voordat hij gaat. (knippen)
- Durf je om half tien nog langs te ___? (lopen)