Learn Dutch
A2 · Verbs

Wensen and wishing

Wensen, wensen dat and the verbs of wishing.

  1. Ik wens je een heel fijn weekend ___. (toeval)
  2. Ik wens dat je snel beter ___. (worden)
  3. We wensen je geluk met je nieuwe baan ___. (wensen)
  4. Ik hoop dat je het examen haalt ___. (halen)
  5. Ze wenst haar moeder een snelle ___ in het ziekenhuis. (herstel)
  6. Wat wens je me voor mijn verjaardag ___. (wensen)
  7. Ik hoop dat je snel ___ van de verkoudheid. (genezen)
  8. We wensen jullie een prettige vakantie ___. (wensen)
  9. Hij wenst zijn collega succes met het ___. (wensen)
  10. Ik hoop dat je me kunt ___ hoe het met je gaat. (vertellen)
  11. Mijn oma wenst de familie een goed nieuwjaar ___. (wensen)
  12. Ze wenst dat er snel een ___ komt naar haar zus. (wensen)