A2 · Verbs
Wensen and wishing
Wensen, wensen dat and the verbs of wishing.
- Ik wens je een heel fijn weekend ___. (toeval)
- Ik wens dat je snel beter ___. (worden)
- We wensen je geluk met je nieuwe baan ___. (wensen)
- Ik hoop dat je het examen haalt ___. (halen)
- Ze wenst haar moeder een snelle ___ in het ziekenhuis. (herstel)
- Wat wens je me voor mijn verjaardag ___. (wensen)
- Ik hoop dat je snel ___ van de verkoudheid. (genezen)
- We wensen jullie een prettige vakantie ___. (wensen)
- Hij wenst zijn collega succes met het ___. (wensen)
- Ik hoop dat je me kunt ___ hoe het met je gaat. (vertellen)
- Mijn oma wenst de familie een goed nieuwjaar ___. (wensen)
- Ze wenst dat er snel een ___ komt naar haar zus. (wensen)