Learn Dutch
A2 · Verbs

Kunnen or mogen?

The difference between kunnen and mogen.

  1. Ik ___ goed Nederlands spreken. (kunnen)
  2. ___ ik hier parkeren? (mogen)
  3. Zij kan heel goed schrijven, maar ze ___ niet veel lezen. (kunnen)
  4. Hier ___ je niet roken. (mogen)
  5. Mijn broer ___ goed zwemmen, hij was ooit kampioen. (kunnen)
  6. De winkel is gesloten, de deur ___ niet open. (kunnen)
  7. ___ jullie nog even wachten? (mogen)
  8. We ___ hier niet fietsen, het is een wandelstraat. (mogen)
  9. Het is vandaag mooi, we ___ vanavond naar het strand. (kunnen)
  10. U ___ het menu zelf kiezen, het is een dagmenu. (kunnen)
  11. Die jas ___ niet meer te redden zijn. (kunnen)
  12. Heb je een penning? Dan ___ je een bakje kopen. (mogen)