A2 · Verbs
Kunnen or mogen?
The difference between kunnen and mogen.
- Ik ___ goed Nederlands spreken. (kunnen)
- ___ ik hier parkeren? (mogen)
- Zij kan heel goed schrijven, maar ze ___ niet veel lezen. (kunnen)
- Hier ___ je niet roken. (mogen)
- Mijn broer ___ goed zwemmen, hij was ooit kampioen. (kunnen)
- De winkel is gesloten, de deur ___ niet open. (kunnen)
- ___ jullie nog even wachten? (mogen)
- We ___ hier niet fietsen, het is een wandelstraat. (mogen)
- Het is vandaag mooi, we ___ vanavond naar het strand. (kunnen)
- U ___ het menu zelf kiezen, het is een dagmenu. (kunnen)
- Die jas ___ niet meer te redden zijn. (kunnen)
- Heb je een penning? Dan ___ je een bakje kopen. (mogen)