Learn Dutch
A2 · Verbs

Willen and wensen

The difference between willen and wensen.

  1. Ik ___ dit weekend een fiets kopen. (willen)
  2. Ik ___ je geluk met je nieuwe huis. (wensen)
  3. We ___ om zeven uur naar de bioscoop gaan. (willen)
  4. Zij ___ dat het snel gaat met haar moeder. (wensen)
  5. Hij ___ niet mee, hij is moe. (willen)
  6. Ik ___ je een rustige nachtrust. (wensen)
  7. Mijn vader ___ met pensioen, hij is 65. (willen)
  8. We ___ je bedankt voor je hulp. (wensen)
  9. Wat ___ jij het liefst eten? (willen)
  10. Ik ___ dat je me excuses voor de drukte. (wensen)
  11. Ze ___ graag Nederlands leren. (willen)
  12. Mijn dochter ___ dat het sneller licht wordt. (wensen)