A2 · Verbs
Willen and wensen
The difference between willen and wensen.
- Ik ___ dit weekend een fiets kopen. (willen)
- Ik ___ je geluk met je nieuwe huis. (wensen)
- We ___ om zeven uur naar de bioscoop gaan. (willen)
- Zij ___ dat het snel gaat met haar moeder. (wensen)
- Hij ___ niet mee, hij is moe. (willen)
- Ik ___ je een rustige nachtrust. (wensen)
- Mijn vader ___ met pensioen, hij is 65. (willen)
- We ___ je bedankt voor je hulp. (wensen)
- Wat ___ jij het liefst eten? (willen)
- Ik ___ dat je me excuses voor de drukte. (wensen)
- Ze ___ graag Nederlands leren. (willen)
- Mijn dochter ___ dat het sneller licht wordt. (wensen)