A2 · Verbs
Prefix verbs that change the meaning
Verbs where the prefix changes the meaning: op-, uit-, aan-, af-.
- Na het eten ___ we de tafel op. (opruimen)
- Zij ___ de buren voor het eten uit. (uitnodigen)
- De trein ___ om half negen in het station aan. (aankomen)
- We ___ nog even langs de bakker lopen. (lopen)
- Neem een paraplu ___, het kan nog regenen. (meenemen)
- We ___ de vuilniszak vandaag nog uitdoen. (uitdoen)
- De zomer is voorbij, het ___ weer donker. (worden)
- Ik ___ mijn oma van het station op. (ophalen)
- We ___ nog even doorwerken tot het eten klaar is. (doorwerken)
- Hij ___ zijn handen voor het eten af. (wassen)
- De film ___ om elf uur af. (aflopen)
- We ___ de tafel nog opdekken voor het eten. (opdekken)