Learn Dutch
A2 · Verbs

Prefix verbs that change the meaning

Verbs where the prefix changes the meaning: op-, uit-, aan-, af-.

  1. Na het eten ___ we de tafel op. (opruimen)
  2. Zij ___ de buren voor het eten uit. (uitnodigen)
  3. De trein ___ om half negen in het station aan. (aankomen)
  4. We ___ nog even langs de bakker lopen. (lopen)
  5. Neem een paraplu ___, het kan nog regenen. (meenemen)
  6. We ___ de vuilniszak vandaag nog uitdoen. (uitdoen)
  7. De zomer is voorbij, het ___ weer donker. (worden)
  8. Ik ___ mijn oma van het station op. (ophalen)
  9. We ___ nog even doorwerken tot het eten klaar is. (doorwerken)
  10. Hij ___ zijn handen voor het eten af. (wassen)
  11. De film ___ om elf uur af. (aflopen)
  12. We ___ de tafel nog opdekken voor het eten. (opdekken)