A2 · Verbs
Worden: a change of state
Worden for becoming something, and the difference with zijn.
- Mijn zus is vorig jaar verpleegkundige ___. (worden)
- De oude fabriek is vorig jaar een bibliotheek ___. (worden)
- Hij ___ langzamer ouder dan de leeftijd die hij dacht te hebben. (worden)
- De prijzen ___ steeds hoger. (worden)
- Mijn moeder ___ al dertig jaar docent. (zijn)
- Het ___ erg koud toen het begon te regenen. (worden)
- De winkel ___ om half zes gesloten. (sluiten)
- Onze buurman is de jongste leraar van de school ___. (worden)
- Het weer ___ steeds kouder. (worden)
- Ze is een eigen bedrijf ___. (beginnen)
- De klas ___ vandaag om tien uur beginnen. (beginnen)
- Mijn broer is econoom in Londen ___. (worden)