Learn Dutch
A2 · Verbs

Worden: a change of state

Worden for becoming something, and the difference with zijn.

  1. Mijn zus is vorig jaar verpleegkundige ___. (worden)
  2. De oude fabriek is vorig jaar een bibliotheek ___. (worden)
  3. Hij ___ langzamer ouder dan de leeftijd die hij dacht te hebben. (worden)
  4. De prijzen ___ steeds hoger. (worden)
  5. Mijn moeder ___ al dertig jaar docent. (zijn)
  6. Het ___ erg koud toen het begon te regenen. (worden)
  7. De winkel ___ om half zes gesloten. (sluiten)
  8. Onze buurman is de jongste leraar van de school ___. (worden)
  9. Het weer ___ steeds kouder. (worden)
  10. Ze is een eigen bedrijf ___. (beginnen)
  11. De klas ___ vandaag om tien uur beginnen. (beginnen)
  12. Mijn broer is econoom in Londen ___. (worden)