A2 · Verbs
Blijven and gaan with an infinitive
Blijven + infinitive and gaan + infinitive.
- We ___ nog even doorwerken tot het eten klaar is. (blijven)
- Ik ___ morgen boodschappen doen. (gaan)
- Hij ___ langer wachten, de trein is te laat. (blijven)
- We ___ vanavond naar de film kijken. (gaan)
- Zij ___ bij haar oma logeren, ze blijft een week. (blijven)
- Na het eten ___ we nog even bij de buren praten. (gaan)
- Ik ___ hier nog even wachten tot je terugkomt. (blijven)
- Ze ___ naar de markt om bloemen te kopen. (gaan)
- We ___ je helpen met verhuizen, bel maar even. (blijven)
- Hij ___ in de tuin werken om de appels te plukken. (gaan)
- Waarom ___ je niet helpen? (blijven)
- We ___ je nog even bij praten over de vakantie. (blijven)