Learn Dutch
A2 · Verbs

Blijven and gaan with an infinitive

Blijven + infinitive and gaan + infinitive.

  1. We ___ nog even doorwerken tot het eten klaar is. (blijven)
  2. Ik ___ morgen boodschappen doen. (gaan)
  3. Hij ___ langer wachten, de trein is te laat. (blijven)
  4. We ___ vanavond naar de film kijken. (gaan)
  5. Zij ___ bij haar oma logeren, ze blijft een week. (blijven)
  6. Na het eten ___ we nog even bij de buren praten. (gaan)
  7. Ik ___ hier nog even wachten tot je terugkomt. (blijven)
  8. Ze ___ naar de markt om bloemen te kopen. (gaan)
  9. We ___ je helpen met verhuizen, bel maar even. (blijven)
  10. Hij ___ in de tuin werken om de appels te plukken. (gaan)
  11. Waarom ___ je niet helpen? (blijven)
  12. We ___ je nog even bij praten over de vakantie. (blijven)