A2 · Verbs
Reflexive verbs: the body
zich wassen, zich aankleden, zich opwassen and other body verbs.
- Ik ___ elke ochtend onder de douche. (wassen)
- De kinderen ___ zich voor het eten. (wassen)
- Wij ___ ons 's ochtends snel aangekleed. (aankleden)
- Zij ___ zich gisteravond in bad gewassen. (wassen)
- Heb je je handen al ___? (wassen)
- Na het hardlopen ___ ik me bij de douches. (wassen)
- Mijn dochter ___ zichzelf al aangekleed. (aankleden)
- Waarom ___ je je? (wassen)
- We ___ ons al aangekleed voor de oma. (aankleden)
- Haar oma ___ zich iedere ochtend zorgvuldig aangekleed. (aankleden)
- Ik ___ me bij de oma zeker opgewassen! Zij had een koorts. (hebben)
- De kinderen ___ zich al gekleed voor het bed. (aankleden)