Learn Dutch
A2 · Verbs

Reflexive verbs: the body

zich wassen, zich aankleden, zich opwassen and other body verbs.

  1. Ik ___ elke ochtend onder de douche. (wassen)
  2. De kinderen ___ zich voor het eten. (wassen)
  3. Wij ___ ons 's ochtends snel aangekleed. (aankleden)
  4. Zij ___ zich gisteravond in bad gewassen. (wassen)
  5. Heb je je handen al ___? (wassen)
  6. Na het hardlopen ___ ik me bij de douches. (wassen)
  7. Mijn dochter ___ zichzelf al aangekleed. (aankleden)
  8. Waarom ___ je je? (wassen)
  9. We ___ ons al aangekleed voor de oma. (aankleden)
  10. Haar oma ___ zich iedere ochtend zorgvuldig aangekleed. (aankleden)
  11. Ik ___ me bij de oma zeker opgewassen! Zij had een koorts. (hebben)
  12. De kinderen ___ zich al gekleed voor het bed. (aankleden)