A2 · Verbs
Reflexive verbs: places and states
zich ergens zijn, zich inschrijven, zich zorgen maken…
- Ik ___ me daar iedere dag. (zijn)
- Mijn broer ___ zich gisteren voor de cursus ingeschreven. (inschrijven)
- We ___ ons zorgen over de toekomst. (maken)
- Zij ___ zich heel snel aangemeld. (aanmelden)
- Waar ___ je? (zijn)
- Ik ___ me vorig jaar in Utrecht. (zijn)
- De kinderen ___ zich bij het zwembad. (aankleden)
- We ___ ons al afgemeld, de prijs is te hoog. (afmelden)
- Hij ___ zich meteen gewassen. (opwassen)
- Ik ___ me vandaag nog even om te slapen. (opwassen)
- We ___ ons zorgen over de rekening. (maken)
- Waar heb je je vandaag ___? (wassen)