Learn Dutch
A2 · Verbs

Reflexive verbs: places and states

zich ergens zijn, zich inschrijven, zich zorgen maken…

  1. Ik ___ me daar iedere dag. (zijn)
  2. Mijn broer ___ zich gisteren voor de cursus ingeschreven. (inschrijven)
  3. We ___ ons zorgen over de toekomst. (maken)
  4. Zij ___ zich heel snel aangemeld. (aanmelden)
  5. Waar ___ je? (zijn)
  6. Ik ___ me vorig jaar in Utrecht. (zijn)
  7. De kinderen ___ zich bij het zwembad. (aankleden)
  8. We ___ ons al afgemeld, de prijs is te hoog. (afmelden)
  9. Hij ___ zich meteen gewassen. (opwassen)
  10. Ik ___ me vandaag nog even om te slapen. (opwassen)
  11. We ___ ons zorgen over de rekening. (maken)
  12. Waar heb je je vandaag ___? (wassen)