Learn Dutch
A2 · Verbs

The passive: worden + participle

The passive in the present and the perfect.

  1. De taart is door ons ___. (maken)
  2. Elke ochtend ___ de krant bezorgd. (bezorgen)
  3. Het huis is vorig jaar ___. (verkopen)
  4. De auto wordt door de garage ___. (repareren)
  5. De brief wordt vandaag door de postbode ___. (bezorgen)
  6. Het eten is al ___. (koken)
  7. De ramen ___ elke winter dichtgemaakt. (dichtmaken)
  8. De prijs is vorig jaar met tien procent ___. (verhogen)
  9. Waar wordt de brug ___? (repareren)
  10. De rekening is door mij ___. (betalen)
  11. De oude school is in 2020 door de gemeente ___. (verruilen)
  12. Het huis wordt op dit moment ___. (verbouwen)