A2 · Verbs
The passive: worden + participle
The passive in the present and the perfect.
- De taart is door ons ___. (maken)
- Elke ochtend ___ de krant bezorgd. (bezorgen)
- Het huis is vorig jaar ___. (verkopen)
- De auto wordt door de garage ___. (repareren)
- De brief wordt vandaag door de postbode ___. (bezorgen)
- Het eten is al ___. (koken)
- De ramen ___ elke winter dichtgemaakt. (dichtmaken)
- De prijs is vorig jaar met tien procent ___. (verhogen)
- Waar wordt de brug ___? (repareren)
- De rekening is door mij ___. (betalen)
- De oude school is in 2020 door de gemeente ___. (verruilen)
- Het huis wordt op dit moment ___. (verbouwen)