A2 · Verbs
The participle of separable verbs
Building the past participle of separable verbs.
- Ik ___ mijn kamer al opgeruimd. (opruimen)
- De trein is gisteren pas laat ___. (aankomen)
- ___ je je handen al gewassen? (wassen)
- We ___ gisteren op tijd klaargemaakt. (klaarmaken)
- Mijn broer ___ zich vandaag snel aangekleed. (aankleden)
- De leraar ___ de leerlingen aan het begin geholpen. (helpen)
- Ik ___ de hele ochtend door gewerkt. (doorwerken)
- De brief is al ___. (versturen)
- Zij ___ het huis al opgeruimd. (opruimen)
- We ___ het eten al opgewarmd. (opwarmen)
- Het huis is vorig jaar ___. (verkopen)
- Mijn oma heeft het recept van haar moeder ___. (opschrijven)