Learn Dutch
A2 · Verbs

The participle of separable verbs

Building the past participle of separable verbs.

  1. Ik ___ mijn kamer al opgeruimd. (opruimen)
  2. De trein is gisteren pas laat ___. (aankomen)
  3. ___ je je handen al gewassen? (wassen)
  4. We ___ gisteren op tijd klaargemaakt. (klaarmaken)
  5. Mijn broer ___ zich vandaag snel aangekleed. (aankleden)
  6. De leraar ___ de leerlingen aan het begin geholpen. (helpen)
  7. Ik ___ de hele ochtend door gewerkt. (doorwerken)
  8. De brief is al ___. (versturen)
  9. Zij ___ het huis al opgeruimd. (opruimen)
  10. We ___ het eten al opgewarmd. (opwarmen)
  11. Het huis is vorig jaar ___. (verkopen)
  12. Mijn oma heeft het recept van haar moeder ___. (opschrijven)