Learn Dutch
A2 · Verbs

The participle of inseparable verbs

Verbs with be-, ver-, ont- and ge-: no split in the participle.

  1. Ik ___ je gisteren gebeld. (bellen)
  2. De brief is al ___. (versturen)
  3. Hij ___ vorig jaar een boek geschreven. (schrijven)
  4. De leraar heeft de som ___. (uitleggen)
  5. We ___ de problemen meteen opgelost. (oplossen)
  6. De klant heeft het pakket ___. (ontvangen)
  7. Ik ___ gisteren een film bekeken. (bekijken)
  8. De excursie is door de leraar ___. (organiseren)
  9. Ze ___ de hele kamer schoon gemaakt. (schoonmaken)
  10. De zaak is inmiddels ___. (uitzoeken)
  11. We ___ u van het nieuws op de hoogte gesteld. (informeren)
  12. Mevrouw Janssen ___ gisteren de rekening betaald. (betalen)