Learn Dutch
A2 · Verbs

The participle with a prefix

op-, af-, uit-, aan- and terug- before the participle.

  1. De brug is vorig jaar ___. (opbouwen)
  2. Zij ___ gisteren al afgesproken. (afspreken)
  3. De trein ___ om half zes vertrokken. (vertrekken)
  4. Mijn oma ___ vorig jaar een boekje meegenomen. (meenemen)
  5. We ___ onze gasten gisteren teruggebracht. (terugbrengen)
  6. Hij heeft de hele dag door ___. (doortelefoneren)
  7. De leraar ___ ons gisteren uitgenodigd. (uitnodigen)
  8. Ik heb de manager om hulp ___. (vragen)
  9. Mijn moeder heeft een paspoort ___. (aanvragen)
  10. De computer is al opnieuw ___. (opstarten)
  11. We hebben gisteren de tent ___. (opzetten)
  12. Hij heeft het contract ___. (ondertekenen)