A2 · Verbs
The participle with a prefix
op-, af-, uit-, aan- and terug- before the participle.
- De brug is vorig jaar ___. (opbouwen)
- Zij ___ gisteren al afgesproken. (afspreken)
- De trein ___ om half zes vertrokken. (vertrekken)
- Mijn oma ___ vorig jaar een boekje meegenomen. (meenemen)
- We ___ onze gasten gisteren teruggebracht. (terugbrengen)
- Hij heeft de hele dag door ___. (doortelefoneren)
- De leraar ___ ons gisteren uitgenodigd. (uitnodigen)
- Ik heb de manager om hulp ___. (vragen)
- Mijn moeder heeft een paspoort ___. (aanvragen)
- De computer is al opnieuw ___. (opstarten)
- We hebben gisteren de tent ___. (opzetten)
- Hij heeft het contract ___. (ondertekenen)