Learn Dutch
A2 · Verbs

The participle that ends in -en

Participles of verbs whose stem ends in -en.

  1. Mijn oma ___ vorig jaar verpleegkundige geworden. (worden)
  2. De politie ___ de verdachte inmiddels gevonden. (vinden)
  3. We ___ het huis al verkocht. (verkopen)
  4. Hij ___ de sleutels in zijn jas gevonden. (vinden)
  5. De wedstrijd ___ door ons gewonnen. (winnen)
  6. De trein ___ op het juiste moment aangekomen. (aankomen)
  7. We ___ de documenten al ingeleverd. (inleveren)
  8. Het uitje ___ door de klas bekostigd. (bekostigen)
  9. Ik ___ hem al langer niet gezien. (zien)
  10. Zij ___ ons het huis laten zien. (laten)
  11. We ___ de hele tekst doorgenomen. (doornemen)
  12. Hij ___ de hele dag in de bibliotheek gezeten. (zitten)