Learn Dutch
A2 · Verbs

The participle that ends in -t

Building a participle in -t, with and without a double t.

  1. Ik ___ het eten al gemaakt. (maken)
  2. Ze ___ de tafel al gedekt. (dekken)
  3. We ___ vorig jaar in een klein huisje gewoond. (wonen)
  4. Mijn broer ___ deze cursus in twee maanden geleerd. (leren)
  5. De fiets ___ al gerepareerd. (repareren)
  6. We ___ twee uur op de trein gewacht. (wachten)
  7. De klas ___ het hele semester hard gewerkt. (werken)
  8. Mevrouw de Vries ___ het huis verkocht. (verkopen)
  9. De klant ___ meteen voor de fiets betaald. (betalen)
  10. We ___ het probleem snel opgelost. (oplossen)
  11. De brief is vandaag ___. (versturen)
  12. Ze ___ gisteren een heel mooi boek gekregen. (krijgen)