A2 · Verbs
The participle that ends in -t
Building a participle in -t, with and without a double t.
- Ik ___ het eten al gemaakt. (maken)
- Ze ___ de tafel al gedekt. (dekken)
- We ___ vorig jaar in een klein huisje gewoond. (wonen)
- Mijn broer ___ deze cursus in twee maanden geleerd. (leren)
- De fiets ___ al gerepareerd. (repareren)
- We ___ twee uur op de trein gewacht. (wachten)
- De klas ___ het hele semester hard gewerkt. (werken)
- Mevrouw de Vries ___ het huis verkocht. (verkopen)
- De klant ___ meteen voor de fiets betaald. (betalen)
- We ___ het probleem snel opgelost. (oplossen)
- De brief is vandaag ___. (versturen)
- Ze ___ gisteren een heel mooi boek gekregen. (krijgen)