A2 · Verbs
The participle as an adjective
A participle that describes a person or a thing.
- Hij heeft een ___ been. (breken)
- De politie heeft een ___ portemonnee gevonden. (vinden)
- Dat is een ___ risico. (berekenen)
- De kamer is al ___. (bezetten)
- Ik heb een ___ fiets gekregen. (breken)
- Het theater was echt ___. (boeken)
- Hij heeft een ___ koffer in de stationshal gevonden. (vinden)
- Wij zaten in een ___ zaal. (vullen)
- De opdracht was al ___. (maken)
- Dat was een ___ dag. (verpakken)
- De winkel is vandaag ___. (sluiten)
- Hij is een ___ man. (vertrouwen)