Learn Dutch
A2 · Verbs

The participle as an adjective

A participle that describes a person or a thing.

  1. Hij heeft een ___ been. (breken)
  2. De politie heeft een ___ portemonnee gevonden. (vinden)
  3. Dat is een ___ risico. (berekenen)
  4. De kamer is al ___. (bezetten)
  5. Ik heb een ___ fiets gekregen. (breken)
  6. Het theater was echt ___. (boeken)
  7. Hij heeft een ___ koffer in de stationshal gevonden. (vinden)
  8. Wij zaten in een ___ zaal. (vullen)
  9. De opdracht was al ___. (maken)
  10. Dat was een ___ dag. (verpakken)
  11. De winkel is vandaag ___. (sluiten)
  12. Hij is een ___ man. (vertrouwen)